mei 10, 2008

Sla

 

Sorry Madame, je gastenlogje heb ik vandaag pas ontdekt in de mail. De computer bleef hier een paar dagen ongeopend wegens buiten veel te doen, de aandacht voor Pixel (het piepkleine, schattige katertje dat ik van de Mencks kreeg ========================iiiyè)! (en dat nu op mijn klavier tokkelt) en een weekje genieten van mijn jongste dochter die Duitsland wilde verlaten om hier de veelvuldige stier-verjaardagen te komen vieren.

Ben ik blij dat jij even mijn blog overneemt!

 

Die drie are sla die jij toen plantte - ik probeer me het immense veld, je belangeloze werklust en het gezicht van jouw meneer voor te stellen: fantastisch.

Je verhaal hoor ik je graag nog eens vertellen, in levende lijve, in geuren en kleuren, bij Zapnimf.

Het stukje van Madame:

Sla

We schrijven 1991. Madame was met haar kroost verhuist naar een huis in een rustige omgeving met grote (32 are) aangelegde tuin en veel ruimte voor een eigen groentetuin. Van groenten- en plantenteelt had madame echter geen kaas gegeten. Genieten van bloemen en groen en smullen van groenten was haar enige symbiose met moeder natuur. Haar man was op dat vlak deskundiger en nam de taak van tuinman op zich. Hij plantte spinazie, wortelen, prei, spruitjes, radijsjes, aardappelen, bonen, erwten, prei, selder… In de serre cultiveerde hij tomaten en liet hij zaadjes van allerhande groenten ontkiemen. Alleen als er onkruid moest gewied worden, schakelde hij madame in. Wat een gewaagde zet was, want madame kende (toen) het verschil niet tussen onluikende worteltjes en heermoes. Zo redde ze op een keer mooie plantjes met fijne witte bloempjes uit de kippenren en plantte ze liefdevol in de bloementuin. Nadien bleek dat het weelderig tierende schijfkamille was. Sindsdien zag je haar geregeld in de tuin planten staan determineren met Thieme’s plantenboek.
 
Op het moment dat hij voor drie dagen voor het werk weg moest, zei manlief dat de ontkiemde sla dringend moesten geplant worden. Hij gaf madame de nodige instructies. “Met de tuinkoord span je mooie rechte lijnen af, op 20 centimeter van mekaar. Op elke rij, met telkens 20 cm er tussen, plant je zo’n slascheutje.”
Madame bekeek het bakje met scheuten en vroeg: “Euh… moet ik ze met een pincet vastpakken?”  Het waren toch zulke minuscule stengeltjes, slechts draadjes met hier en daar een speldenkopje groen.
 Haar man vertrekt en madame begint sla te planten. Met de meetlat. Drie dagen lang zat ze op haar knieën in het zand die frunnikplantjes netjes op 20 cm van mekaar in de grond te frommelen. Haar respect voor de tuinman groeide met de dag. De derde dag waren eindelijk alle scheutjes uitgeplant. 

Mijnheer kwam thuis. Fier loodste madame hem mee naar de sla die ze geplant had.

“Wat.heb.jij.gedaan!”  riep hij onthutst.

“Euh… sla geplant.” zei madame kleintjes, “allemaal op 20 cm van mekaar, zoals je gezegd had.”

Ze tuurde over het slaveld en had niet de indruk dat ze ergens een centimeter gemist had.

“Drie are sla!” scandeerde haar man.

“Ja, ’t waren veel plantjes, ik heb er drie dagen aan gewerkt.”

“Die moest je toch niet allemaal uitplanten! Een bedje was genoeg.”

Ja zeg, dat had hij wel kunnen zeggen, hè. Dan had ze zich geen drie dagen moeten uitsloven.

 

 

 

 

april 30, 2008

Achterwaarts computerzicht

Ik denk erover na mijn bureel ooit eens om te draaien om zicht te hebben op de voortuin. Het schrikt me wat af, vooral in de winter als ik hier alleen zit en liever niet zie wat er achter mijn rug gebeurt.

In de zomer schijnt de zon op mijn scherm en heb ik geen zin om veel woorden te verspillen op een tekstverwerker. Dan zit ik aan de andere kant van het huis urenlang te luisteren naar het geritsel van alle fenomenen die de natuur biedt. Dan ken ik geen angst.

Davy, mijn dwergpapegaaitje, was er niet mee opgezet dat ik het achtervenster opende om een fotootje te nemen van zijn zicht op de straatkant.

Het moest om te antwoorden op de vraag van Annetanne.

Voorlopig heb ik nog dit zicht 

 

.
 
 Maar later op het jaar zal ik dit zien

.
 
 En dit



Vergeleken met hoe de oprit er in 2004 uitzag, ben ik dik tevreden.



april 28, 2008

Garageverkoop

 

Een mens vergaart nogal wat, in de loop der tijden! En als je er, zoals ik, moeite mee hebt om spullen weg te gooien, heb je op een bepaald moment geen zicht meer op je huishouding.

Hetzelfde geldt trouwens voor mijn mails. In bepaalde folders heb ik 4700 mails staan die ik koste wat het kost wil behouden. Ik moest ooit eens zin hebben om ze te herlezen of op zoek zijn naar de inhoud van eentje ervan en er spijt van hebben dat ik het gewist heb.

Zo kocht ik verleden week een ‘Torck’-babystoeltje op de rommelmarkt voor het geval mijn kinderen aan nageslacht zouden denken. Geen van beiden heeft plannen in die richting zodat het stoeltje voorlopig op zolder zal belanden om er spinnenwebben te vergaren. De kans zit er dik in dat het nooit gebruikt zal worden.

 

Keerbergen organiseerde dit weekend voor de eerste keer een garageverkoop. Een uitgelezen kans om grote kuis te houden in mijn opgespaarde goed. Het nam me twee weken in beslag om dozen vol te stouwen met voormalige nostalgie waar ik afstand van zou kunnen doen. Voor anderen werden mijn schatten als regelrechte  rommel omschreven, wat ik hen tot op vandaag heel kwalijk neem. 

Zaterdag en zondag, van 10:00 tot 17:00. Het zou een succes worden, de opbrengst zou aanzienlijk zijn! Goed voor een weldoordachte nieuwe aankoop.

Stoelen, tafels, een oud strijkijzer, een antieke koffiemaler, een gezichtsbruiner, een bamboetafel, computerschermen en printers, de ‘Kaiser’-naaimachine die ik in het containerpark vond, de koeienmelker en de in mijn ogen fel begeerde prul-, frul- en brocanteriehebbedingetjes werden zorgvuldig tentoongesteld op mijn oprit.

Dat de fel geïnteresseerden er als wilde beesten zouden opvliegen, stond welhaast vast. Het zou mijn voorspoedig weekend worden!

Net op tijd, alles stond klaar, ook mijn kopje koffie, de weekendkrant en de sudoko voor het geval ik me even zou vervelen.

Elf uur, nog steeds geen klant die afkwam op de opvallende, paarsgekleurde ballonnetjes. Zaterdag, Chelone; de doorsnee mens doet dan zijn inkopen, ze zouden straks wel komen.

Om half twaalf ontving ik heel enthousiast mijn eerst klant. Hij kocht een oude postkaart van De Haan voor een halve euro. De winst was binnen!

De rest van de namiddag zag ik nog zeven andere geïnteresseerden, waaronder drie kinderen die elk iets gratis mochten uitkiezen.

Intussen waren mijn tenen geknipt en gevijld, de kippen en konijnen kregen eten, mijn outfit ging van broek naar rok en mijn gezicht werd steeds maar roder.

Mijn dochter kwam thuis, had niets om te eten en op het einde van de dag hield ik er acht bezoekers aan over en anderhalve euro.

Acht bezoekers konden na de eerste dag onmogelijk subjectief bepalen of mijn aangeboden waar als echte rommel bestempeld kon worden.

De laatste klanten namen twintig boeken mee die ik intussen in het hoekje ‘gratis’ had opgesteld. Voor een dankjewel hadden ze geen zin.

Ik kreeg nog een “Arme Moepie” toegeworpen van mijn dochter en zeeg, na het opruimen van nog evenveel stuff, diep ontgoocheld omwille van zoveel wreedheden, neer in mijn fauteuil.

De volgende dag voltrok zich hetzelfde scenario. Met dit onderscheid dat ik alles voor niks meegaf en intussen twee manden strijk in de plooien legde. De totale opbrengst bedroeg zestien en een halve Euro, een kleurtje en een zonneallergie.

Buurman Johny nam in de vlucht nog twee miniatuureendjes mee voor zijn vrouwtje. Het moest van mij.

Vandaag staan er vijf overvolle dozen op elkaar gestapeld: een voor het containerpark, vier voor het kringloopcentrum.

Nog twee dagen sleuren en dan begint mijn nieuwe - rommelloze! - leven.

Het vergaren heb ik verleerd, in een weekend.

 

april 23, 2008

Babi is niet meer

Het is pas gebeurd, het zal nog enige tijd duren voor ik haar zal kunnen vergeten.

Terug komen van de dierenarts met een kattenmandje waarin een dood poesje zit, het doet pijn. Zo mooi ligt ze daar, alsof ze slaapt en morgen weer dartel zal zijn.

De junior-korreltjes heb ik verstopt zodat ik ze niet meer zou zien. Haar lievelingskussentje heb ik gestofzuigd omdat ik minder aan haar zou denken.

Het lukt niet, ik moet constant huilen. Ik wist niet dat het zo een impact op mij zou hebben.

Sinds twee jaar was het mijn zorgenpoesje. Om de drie weken gingen we samen naar de dokter voor een spuitje dat haar enkele dagen later weer levendig maakte. Dan was ze weer zorgeloos. Als geen ander klom ze in de bomen en zocht elke dag een nieuw bed uit. Op de onmogelijkste plaatsen heb ik haar gevonden. Als jongste werd ze nooit geaccepteerd door de andere poezen.

Als ze geen pijn had, kon ik haar aaien en bleef ze de ganse nacht op het voeteinde van mijn bed liggen. We hadden een speciale band, ik wist wanneer ze zich goed voelde.

De tumor in haar mondje was veel groter geworden. Ze at niet meer en kon nog moeilijk slapen. Ze vluchtte weg, ze had pijn.

Ze mocht niet langer lijden.

Degenen die me belachelijk vinden omdat ik huil om een overleden klein en fragiel katinneke; ze hebben het nog niet meegemaakt. Het doet echt wel pijn.

En dan denk ik: dierbare mensen verliezen is nog zoveel erger. Die band is nog zoveel sterker.

Een mens moet een sterk ras zijn en over zijn echte gevoelens wordt veel te weinig gesproken.

Ook jou zal ik missen, Babi.


Laatste foto van verleden week.

april 20, 2008

Chelone ten voeten uit

 

In navolging van -tig bloggers, heb ik me ook maar eens gewaagd aan een ‘Ken Chelone’-quiz. Waag uw kansen HIER.
De kus voor de winnaar zal helaas enkel virtueel worden geschonken.

 

april 17, 2008

Aanklacht (2)

Een aantal weken geleden mocht mijn moeder het ziekenhuis verlaten nadat ze, tijdens een onbewaakt moment, ten val kwam in de refter van het bejaardentehuis waar ze resideert.

Hier de voorgeschiedenis.

Jullie, bloggers, waren voor mij een steun bij de beslissing om mijn verhaal al dan niet in Humo te laten publiceren. Ik heb het tenslotte niet gedaan maar heb wel klacht ingediend bij de rusthuisinfofoon, een initiatief van de Vlaamse Gemeenschap dat toezicht houdt op alle rusthuizen in België (behalve op die van het OCMW).

Mijn bezwaren werden zeer ernstig genomen temeer daar ik niet de enige was die zijn grieven uitte over de grove tekortkomingen van dit tehuis. De klachten zouden gebundeld worden en zouden leiden tot een grootschaligere inspectie.

Wat ik niet wist, is dat het verzorgingstehuis enkele jaren geleden zijn vergunning dreigde te verliezen en dat toen, door een politieke beslissing van de stad Mechelen, dit verdict werd uitgesteld.

Drie weken geleden kreeg het home onverwacht bezoek van een aantal controleurs.

Die morgen, heel vroeg, kreeg ik telefoon van de eigenaars. Vloekend en schreeuwend bekogelde hij me met dreigementen en beschimpingen. Ik hoorde de waanzinnige verwensingen van de bazin op de achtergrond. Mijn moeder zou op het einde van de maand april het rusthuis moeten verlaten.

Ik heb ze gedurende twee dagen laten uitrazen en ben toen mijn moeder weer gaan bezoeken.

Van de hele toestand heeft zij niets gemerkt. Ik had angst voor de confrontatie. Hoe zouden de verpleegsters reageren?

Tot mijn grote opluchting steunen ze mijn actie. Ook zij hopen dat de toestand in het rusthuis eindelijk zal veranderen.

De bazin en haar zoon proberen me op alle mogelijke manieren te intimideren. Zo mag ik geen snoepjes meer uitdelen en niet meer praten met de verpleegsters.

Ik blijf rustig en laat me niet afschrikken door hun gesnauw.

Er wordt niet meer gesproken over een verhuis, de verpleegsters zijn vriendelijk; mijn moeder is gelukkig en alle oudjes weten dat ze een snoepje krijgen als ik op visite kom.

Er liggen nieuwe plastic tafellakentjes in de refter, er is ook een grotere televisie. Mijn moeder is nu vastgebonden aan haar rolstoel, zodat er nog uitvallen onmogelijk is.

Maar er is nog steeds geen toezicht tussen 17:00 en 19:00 wanneer de dementerenden elkaars riempjes losmaken en schreeuwen om hulp. Elke dag opnieuw.

Ik krijg nog een rapport van de infofoon.

april 9, 2008

Overhangend wild

“Geachte,

Onze afvalophaler EcoWerf heeft vastgesteld dat er een moeilijke verkeerssituatie heerst door overhangende takken ter hoogte van uw perceel. Wij vragen u de zichtbaarheid aldaar te verbeteren door het verwijderen van de overhangende takken van de laurierhaag. Wij danken u alvast voor uw bereidwillige medewerking. U hiervan goede ontvangst toewensend, groeten wij u,

Met de meeste hoogachting,

De Burgemeester”

 

Deze brief zat een maand geleden in mijn brievenbus.

Even gaan kijken of de diensten van de burgemeester zich niet hadden vergist.

Warempel nog aan toe, die laurierhaag van mij had echt wel gigantische proporties aangenomen!

Twee jaar geleden moest ik voor de vrederechter verschijnen omdat mijn buurvrouw eiste dat de haag aan haar zijde met twee meter werd ingekort. Toen ik er de rechtsdienaar attent op maakte dat Ans coniferen even hoog groeiden als mijn laurier, besloot de vredelievende man om ons allebei aan de snoeiarbeid te zetten. Jammer voor An, want kortgewiekte coniferen zien er verschrikkelijk uit en worden nooit meer wat ze vroeger zijn geweest. Mijn laurierhaag daarentegen stond na enkele maanden weer te schitteren en kreeg tienduizenden frisse nieuwe scheutjes. De snoeibeurt had haar heel veel deugd gedaan.

Tja, wie een put graaft voor een ander…

Mijn buurvrouw is intussen verhuisd. Ze zou raar opkijken moest ze zien dat haar coniferen ondertussen verdwenen zijn. Mijn nieuwe buren hebben verleden week de hele boel tot hakselhout versnipperd.

Met gezond verstand noch met mijn charmes zou ik dit maal de gemeente kunnen overtuigen van haar ongelijk. Het was overduidelijk dat mijn haag, zonder de nodige ingrepen, aanstalten maakte om de baan over te steken tot bij de overburen.

Hoog tijd dus om Menck, Superman voor Natuurproblemen, een belletje te geven en hem te vragen of hij met zijn kettingzaag mijn ha(a)gje kon komen redden.

Hij kon zich gelukkig een dag vrijmaken. Voor het snoeien van het bovenste gedeelte van de haag zou ik iemand anders moeten vragen; Menck heeft immers hoogtevrees en zijn contacten waren elders bezig.

Het opruimwerk was voor mij. Het opruimwerk is altijd voor de vrouwen, niet?

Takken oprapen zou ook goed zijn voor de rug volgens Menck.

Een voorbijwandelend vrouwtje dat ons werk gade sloeg, vond het jammer. Ze had enkele dagen geleden tijdens een wandeling met haar hond nog voor een stevige hagelbui kunnen schuilen onder de haag.

Een te snelle autobestuurder moest plotseling uitwijken voor de massa’s takken die de straat onveilig maakten. Geen wonder dat hij zijn snelheid niet minderde want toen was het verkeersbordje dat 30km/uur aankondigde nog verstopt tussen de laurier.

De klus was in ‘no time’ geklaard en de takken liggen netjes opgestapeld langs de kant van de weg. Een dezer komt de hakselkar op speciaal verzoek langs om de resten te vermorzelen. De hakseling mogen ze laten liggen, die kan altijd dienen als onkruidwerende borderbedekking in de tuin.

 

Even pauzeren nu. Of toch niet? Achterbuurman Walters serre wordt eveneens verdrongen door mijn laurierhaag. Gisteren kwam zijn tuinman met de kettingzaag. Of ik de takken wilde opruimen?

 

Vandaar dat ik de laatste dagen niet meer aan bloggen of bloglezen toekom. Maar ik slaap als een uitgetelde marmot!

Privacy; het heeft een prijs!

 

 

 

maart 31, 2008

De boom in

Mijn dochter is naar Marokko geweest. Zon, zee, strand. Strand, zee, zon. Zeven dagen lang. Geen memorabele belevenissen. Met z’n tweetjes waagden ze zich aan een ‘culturele’ en begeleide busuitstap naar een visserdorpje. De andere twee bleven liever in de zon liggen.

Half inslapend hoorden ze nog net de hallucinerende woorden van de gids: “Regardez, à votre gauche, des chèvres dans les arbres.”

Van de - hou u vast - zes (!) foto’s die ze mee naar huis bracht, zijn dit er twee. De verre reis waard, zou ik zo zeggen.


maart 31, 2008

Mijn rug op

 

 

Enige tijd geleden ondergeschatte ik het draagvermogen van mijn rug. Het gesjouw met die laatste zware kruiwagen gevuld met natte aarde zal er teveel aan geweest zijn, want gisterenmorgen raakte ik met de beste wil van de wereld letterlijk mijn bed niet meer uit.

De rugpijn, die zich al van enkele dagen tevoren had gemanifesteerd, was uitgegroeid tot een helse marteling. Er was bovendien niemand in huis die me kon helpen. Mijn dochter kwam vanmorgen pas thuis uit Marokko. Gelukkig werd ze door vrienden opgehaald; rijden zag ik al helemaal niet zitten.

In bed blijven liggen had geen zin omdat ik geen ligzijde meer kon bedenken die nog enigszins comfortabel was. Ik moest te allen prijs beneden geraken om de ontstekingsremmende Brufen te bereiken. Het werd een quasi ondraaglijke onderneming.

Algauw bleek dat zitten, staan of wandelen ook geen oplossing boden. Er zat dus niets anders op dan mijn huisdokter te bellen. Zijn voicemail gaf me een nummer van de dokter van wacht.

Nadat ik mijn situatie kort uiteengezet had, werd mij allerlei voorgesteld: dat ik naar de apotheker van wacht moest rijden (onmogelijk wegens mijn immobiliteit), dat een huisgenoot mij een sterkere pijnstiller zou gaan zoeken (onmogelijk zonder aanwezigheid van een andere levende ziel in huis en zonder doktersvoorschrift), dat ik een buur zou opbellen die misschien zo een middel in huis zou hebben (de meeste buren zijn hier met vakantie). Echter, mijn voorstel om een dokter te mogen ontvangen die me op een efficiënte manier zou helpen, werd afgewimpeld. Ik mocht wel na een uurtje terugbellen moest ik me nog niet beter voelen. Die mevrouw geloofde er klaarblijkelijk tenvolle in dat ik me daarna weer beter zou voelen met een of ander flutmiddel uit mijn apothekerskastje.

Het werd me duidelijk; ik moest er nóg erger aan toe zijn voor ik het geluk zou hebben geholpen te worden. Nochtans: zitten, staan, liggen of stappen kon ik nauwelijks tot niet en ik leed verdomd helse pijnen.

U ziet van hier dat ik dat telefoonnummer na een uurtje nog eens zou intikken. Ik ging nog liever dood, zodat geen enkele dokter meer tot hier zou moeten komen.

Uit pure onmacht probeerde ik enkele buren telefonisch om hulp te smeken. Bij de derde poging had ik succes; buurman Gert had nog vier Dafalgans codeïne in huis die ik mocht lenen. Net voldoende om gisteren en afgelopen nacht door te worstelen en van heel veel  pijn naar net iets minder pijn te sukkelen. Hij zou me die binnen de vijf minuten brengen. Wat een schat.

De eerder opgebelde huisartsenkring ‘Dijle en Netevallei vzw’, met hun tweehonderd en achttien aangesloten artsen, zal het een zorg wezen hoe ik de laatste uren heb doorgebracht. Wel werd mijn oproep genoteerd, samen met mijn adres en mijn telefoonnummer. Die vereniging zonder winstoogmerk kan intussen een oproep meer optekenen in haar statistieken. Eentje van mij, een vrouw met heel veel pijn die op zijn minst wat meer hulp had verwacht. Of beter: die wat hulp had verwacht.

Vandaag gaat het al ietsje beter. Mijn huisarts is vanmiddag langs gekomen en heeft mijn achterwerk door middel van een overmaatse spuit van een extra gaatje voorzien. Duimen maar dat dit stevige shot binnen de kortste keren weldadig explodeert ter hoogte van mijn rugspierontsteking. Ik ben het kreupel lopen onderhand aardig beu.

maart 26, 2008

Stokje: bedgeheimen

 

Georgina gooide me een stokje toe: mijn bedgeheimen. Gaat ie!
Vier jaar geleden voelde mijn slaapkamer nog aan als eng, klein en donker. De lange muur waar mijn kleerkast tegen stond, ontnam me alle zicht op de tuin. Daar moest en zou een raam in komen. Jarenlang heb ik gespaard tot ik er uiteindelijk een groot gat heb in laten kloppen. Vanuit mijn bed kan ik nu eindelijk de reiger zien (en op het moment van dit stokje zelfs een volledig besneeuwde tuin) die met schalkse oogjes het visbestand van mijn vijver viseert.
De deur naar de badkamer werd eruit gevezen. In de plaats daarvan hangt nu – enigszins scheef – een oriëntaals geïnspireerd slingergordijntje.
Mijn bed kraakt en kent daarom, als geen ander, de geheimen die wij samen met niemand anders willen delen; een dennenhouten Ikeabed uit de tachtiger jaren met ronde doppen op het voeteinde. Het heeft ooit nog in een heus kasteel omringd door grachten en een kerk gestaan. Destijds nog te weinig ‘gebruikt’, werd het langs de rechterkant verlaten door mijn toenmalige wederhelft die plots een ander bed verkoos. De matras ervan was aan vervanging toe nadat een corpulente manspersoon en diens vrouwtje er een gat hadden in gelegen toen ze mijn huis en kinderen bewaakten tijdens een veertiendaagse reis. Mijn bed verhuisde vier keer en zal hier nu waarschijnlijk blijven staan tot we beiden tot as zullen worden herleid. Zo een brede stee is dezer dagen trouwens onbetaalbaar geworden.
Wat mijn kamer betreft: hebben de schilders gelachen toen ik er een cabardouchke wilde van maken. Ik wilde koste wat het kost het warme rood op de muren dat maar niet rustgevend rood wilde worden! Planten in mijn kamer? De enige die het uiterst goed doet in slaapkamers staat er: de Cycaspalm. Hij stelt zich tevreden met een tweewekelijkse watergift.
Recht tegenover me heb ik zicht op een oude commode die haar spiegel mist. Dat reflecterende gedrocht staat op zolder wegens ongewenst. Enkel zijn steunen zijn op de kast blijven staan. De fiftieszetel uit dieprood skaileer heb ik van een veiling op eBay toen het daar nog heel interessant bieden was. Zenuwslopend ging het er toen aan toe, maar uiteindelijk was ik de snelste van de vele geïnteresseerden. Vraag me niet op welke wijze ik die fauteuil via het terras door het slaapkamervenster heb gehesen (I know; slaapkamergeheimen!).
De verrolbare (Ikea-)ontbijtplank waar ik mijn bed enkele jaren geleden mee verrijkte, was een van mijn beste koopjes ooit. Daarop schik ik de gestreken was en plaats er mijn dagelijkse Yakultje, krant, sudoku en kopje koffie op.
Ik heb ook nog twee letterbakken hangen in mijn slaapkamer met een verzameling die – voor mij  enkel uit meneerkes en madammekes mag bestaan. Gekocht op rommelmarkten. Zo heb ik altijd iets te bekijken als ik niet naar de ernaast hangende foto van mijn twee knappe dochters kijk.
En dan zijn er natuurlijk ook nog de beertjes die voor nog meer warmte zorgen. Ik kreeg ze van Madam Menck. Een voor een zijn ze handgemaakt.
En ik ben alleen! (Lalalalalalalalalalalalalalalalala - Uit dit liedje van Kinderen voor Kinderen)

maart 22, 2008

Ongelukkige uitspraak, Guy

Ook ik kan soms ongelukkige uitspraken doen. Gelukkig blijven ze binnenskamers en ik hoef ik me er me enkel bij mijn kinderen en naasten voor te verontschuldigen. Soms heb ik ook eens een slechte dag en wil ik die gevoelens graag spuien over mijn blog of in de reacties bij andere bloggers. Het komt voor dat ik daar dan enkele nachten niet van kan slapen, me afvragend of ik niet te ver ben gegaan, en of ik daarmee niemand heb pijn gedaan.

Gelukkig ben ik geen politieker, al zou ik heel veel willen veranderd zien in dit kleine landje waarin wij als een goed mens proberen te leven. Zo stoot elke uitspraak van gelijk welke politieker ooit wel eens tegen de borst van één van de elf miljoen eventueel gedupeerde zielen in ons koninkrijk. Ik dacht nochtans dat vooral zij, onze vertegenwoordigers, met persoonlijke uitspraken heel voorzichtig zouden moeten omspringen.  

Ik dwaal af als ik me afvraag welke interessante informatie er voor tegenstanders van Barack Obama, Hillary Clinton of John McCain te vinden zijn in hun paspoort. Maar het zou me wel benieuwen. Een Visastempel naar één of ander exotisch eiland waar Amerika geen weet van heeft? Of een DNA-vlekje van een vroegere scoutgeliefde misschien. Ze zoeken het ginder maar uit.

Soit, politiekers moeten uiterst omzichtig zijn met wat ze openbaren en dat heeft Guy Verhofstadt, die nu een boek wil gaan schrijven, in mijn ogen helemaal niet gedaan. Meer nog, Guy’s woorden hebben me veel pijn gedaan. Zodanig zelfs dat ik hem persoonlijk zou willen schrijven om hem te vragen of hij zijn tong de volgende keer zeven keer zou willen omdraaien vooraleer hij nog een “intelligente” uitspraak doet. In mijn ogen was hij meer fout dan de veel meer christelijk geïnspireerde Leterme die de echte woorden van ons volkslied niet zo meteen meer wist te vinden.  

“Hugo Claus is als een gloeiende ster van ons heen gegaan, precies op tijd, precies vooraleer hij tot een plomp zwart gat zou zijn ineengeklapt”. 

Mijn lieve ex-premier, mijn nu dementerende moeder was nog veel meer dan een gloeiende ster. Is ze nu in een plomp zwart gat ineengeklapt? Krijgen wij, kinderen van haar, deze doffe ster nu ook opgeplakt?

Wat bedoel je eigenlijk? Had ze dat plomp gat moeten zien aankomen en er voortijdig ook een eind aan moeten maken? Is ze daardoor nu gedoemd om voor de rest van haar tijd als een dementerende door het leven te gaan? Zal je je ouders en jezelf op tijd kunnen redden voor deze ineenklapping?

Zullen jullie, de achtergeblevenen, nooit meer een ster kunnen zijn?  Zou je, in het andere geval, je ouders niet meer blijven steunen? Zul je je van hen afkeren en hen aanzetten tot een andere beslissing over hun (jouw) leven? 

Dit is meer dan een ongelukkige uitspraak. Het is een uitspraak van iemand die klaarblijkelijk geen dementerende mensen kent. Van iemand die zich gelukkig mag prijzen dat hij (nog) niet bewust met de problematiek van een ander soort leven in aanraking is gekomen: dat van dementerende mensen die wel degelijk in onze maatschappij leven.

Indien je het anders bedoelde, waarom verontschuldig je je dan niet?

Guy, ik hoop voor jou een meer fortuinlijke ouwe dag. Dat je dit soort ernstige perikelen gespaard mag blijven.

Het is hard man, geen enkel rusthuis voor dementerenden is goed genoeg. Ze worden niet goed genoeg verzorgd, hun identiteit is zoek. Ze voelen wel degelijk pijn als ze vallen maar niemand hoort hen. Je zou zo graag met hen converseren maar dat gaat niet meer. Dementerende mensen hebben geen naam meer, je ziet ze niet. Ze worden neergezet in refters, met plastieken tafellakens en onbreekbare bekertjes. Gelukkig proeven ze niet goed meer wat hen voorgeschoteld wordt.

Je huilt in je eentje, als kind, je verliest je ouder lang voor je hem echt verliest. Je hunkert naar liefde die je niet meer geven of krijgen kan.

Bedenk hierbij Guy, dat mijn moeder nog lacht en zingt en dat ze haar kinderen nog herkent, zelfs na zeven jaar dementie. Maar ze kan niet meer beslissen over leven noch dood.

Elke dag is voor haar een nieuwe, net als die voor jou of voor mij zou zijn.

Het doet pijn jongen, het doet ontzettend veel pijn, geloof me. Denk hierover eens na, kerel, voor je je wijze boek wil schrijven. En kijk vooral rondom je heen, heel intensief.

Het zou namelijk ook jou of je dierbaren kunnen overkomen. De ziekte van deze tijd, weet je wel.

Als je ooit wijze raad kunt gebruiken, ik wil je heel graag helpen. Ik heb namelijk een heel lang verhaal over mijn moeder waarvoor de beste zorgen nooit voldoende zullen zijn.  

 

maart 16, 2008

Ei-laba

Vogels in gevangenschap; het druist in tegen mijn natuurgevoel. Ik kan wel beweren dat die vogeltjes in mijn volière al in gevangenschap geboren werden toen ik ze aankocht, maar dat excuus keurt het meedoen aan zulke praktijken nog steeds niet goed.

Maar nu die bronskanarietjes het hele jaar door de prachtigste concerten ten berde brengen, ben ik er intussen rotsvast van overtuigd dat ze hier gelukkig zijn.

Afgelopen lente brachten ze vier kleintjes ter wereld. Wegens het incestgevaar moesten die nu de volière verlaten. Buurman Johnny nam ze mee. Ik weet dat ze het bij hem heel goed zullen hebben.

De warme winters hebben ook hun weerslag op het broedgedrag van mijn vogeltjes. Ma kanarie legde achttien dagen geleden haar eerste eitjes. Eentje ervan is al uitgebroed.

Baby kanarie ziet er gezond uit, ook al is ie nog wat kaal. Acht uur licht per dag heeft hij nodig wil hij overleven. Dat zou dus moeten lukken.

Welkom, Punkie!


 

 

maart 11, 2008

Wie niet horen wil…


Verleden week, nog niet helemaal hersteld van de griep, knipte ik de stengels van de miscanthus af.
Heerlijk zonnetje, het werd zelfs te warm voor een jas. Dat klusje moest nu geklaard worden omwille van de aangekondigde hakselronde.
Had ik dat maar niet gedaan want nu zit ik met de gebakken peren; een stevige bronchitis en een keelontsteking toe. Doet dat pijn zeg!
Ik heb de laatste nachten bijna mijn amandelen en mijn tong uitgehoest.
Moraal van het verhaal: “Denk nooit te vroeg dat je genezen bent want je kan voor vervelende verrassingen komen te staan”.

Enfin, de stengels van de miscanthus zijn opgehaald. Toch ook mooi meegenomen.

maart 4, 2008

Radiostokje

Van Luipaard kreeg ik enkele weken geleden het radiostokje toegeworpen en door mijn laattijdig antwoord gooide de onwetende Patrick er nog eens hetzelfde bovenop. Ik dacht nog: ik zwijg stil, geen kat die er om zal rouwen. De spielerei en de affiniteit die mannen als Menck met muziek hebben, zal ik nooit bezitten. Enfin, let’s get it over with.
Vroeger hadden we thuis twee van die intercomsystemen met drie Vlaamse zenders zodat mijn vader elke morgen de laatste nieuwsberichten kon volgen voor hij zijn bureel introk. Eens hij uit ons vizier verdwenen was, werd onmiddellijk overgeschakeld naar muziek, al was de keuze toen nog erg beperkt.
Op zondag moesten we stil zijn en samen luisteren naar Funiculi Funicula, een programma met klassieke muziek. Daardoor herken ik gelukkig nog een paar van die cultuurdeuntjes die ik niet meer met hun naam kan benoemen. Het zal wel goed geweest zijn voor onze algemene ontwikkeling. Ik zou er trouwens heel dankbaar voor zijn moest iemand zich nog het begindeuntje van dit programma herinneren.  Het ging zo: te te te te te te te te te te te te te, het was iets Duitsachtigs.
Daarna kwam de tijd van Salut Les Copains, alles was toen in het Frans. Ik herinner me nog die Kerstnacht toen iedereen sliep en ik Ma Reine de Saba hoorde op ons rood radiootje. Een vriend heeft dit liedje twintig jaar later voor mij teruggevonden. Ik zal er hem altijd dankbaar voor blijven.
Natuurlijk miste ik de zalige tijden van Radio Veronica en Radio Caroline niet. Dat gemis zou pas een gat in mijn cultuur hebben geboord. Heerlijke zomers waren het. Mijn oudste zus trok op met een bende nozems op de dijk, pseudo stoere kerels met lederen vesten en een grote transistor op hun schouder. Mijn vader was ervan overtuigd dat deze trend de eerste nagel van zijn doodskist zou worden.
Beachparty’s op het strand, de eerste jeugdclubs, jukeboxen, de rivaliteit tussen aanhangers van de Rolling Stones en The Beatles.
Radiozenders zijn voor mij nu van veel minder belang, zolang de pointe van een song niet plots wordt onderbroken door één of andere stupide reclamespot of te luid lallende presentator, ben ik al dik tevreden. Daarom staat hier nooit Q-music of Radio Donna op, ik word er namelijk stapelgek van.
4FM voor de nostalgie, Studio Brussel voor al wat nieuw is.
De radio is voor mij eerder een medium om up-to-date te blijven qua vers muziekaanbod. Voor het overige zorgen mijn dochters er wel voor dat ik niet achter raak.
Geef mij maar muziek van het schijfje, muziek die ik via de radio zelf ontdek.
Zo jammer dat Adele’s muziek, om maar eens een artiest te noemen, bijlange niet meer zo mooi klinkt nu ze overgecommercialiseerd werd door de radio.

Radio maakt wat mij betreft dus ook heel veel muziek kapot.

  

maart 1, 2008

Nachtelijke invasie

 

Ik rook het al. Ik voelde het gewoon. Het zou één dezer gebeuren. Prima weersomstandigheden: een miezerig regentje en ideale temperaturen. Paddentrek, kortom!
Ze kozen massaal voor mijn eigenste vijver en amfibiepoel, die wrattenschatten. Ze weten jaar na jaar dat ze hier gelukkig zijn tijdens hun paringsdaad. Veertien dagen geleden hadden twee ‘verkenners’ zich al in de vijver geïnstalleerd. Hun modeste lokroep werd door velen van hun soortgenoten op kilometers afstand gehoord.  
Wat ik zag, tartte mijn verbeelding. Ze doken dit jaar en masse op, vanuit alle hoeken van de buurt kwamen ze in dichte drommen aangesprongen. Zonder overdrijven kan ik stellen dat er – enkel vanavond al – een vijftig- à zestigtal arriveerden. Een leger padden dat, God weet hoe lang onderweg, mijn tuin gevonden heeft. Enkelen waren doodop, te moe voor die laatste huppen naar het water toe. Ik moest hen het finale duwtje geven.
Het krioelt hier intussen van de padden; moeders en vaders brachten ook hun kleintjes mee die hier verleden jaar geboren werden. Padden tussen de bloempotten, op de oprit, tussen de planten, op het terras en de paden. Ik moet zowaar uitkijken waar ik stap om ze niet te verpletteren. Een avondlijke tuinwandeling dient met de zaklamp te gebeuren. Mijn poezenfamilie vindt deze drukte geweldig spannend en blijft heel de nacht buiten om de paddenpopulatie hun ding te zien doen. Ze beseffen maar al te goed dat ze niet te dicht moeten naderen want padden scheiden via talloze klieren een gif af dat erg vies smaakt.
Hopelijk kunnen die beestjes nu een beetje tot rust komen na een veel te korte winterslaap en hebben ze nog de kracht om zich te vermenigvuldigen zodat hun ras niet vroegtijdig uitsterft.
Soyez les bienvenues en bedankt dat jullie mijn tuin en vijvers als de ultieme paai- en paarplaats ervaren! 

[ De foto’s werden ter plaatse genomen door Menck en zijn madam. De volledige reeks kunt u HIER bekijken. ]

februari 26, 2008

Chelone’s eerste appelcake

 


Bijna - maar toch nog niet helemaal - genezen zijn, heeft zo zijn voordelen. Een overvloed aan verse eitjes, maar nog te ziek om ze naar de buren te brengen.
Tijd dus voor mijn eerste Boerenbondse appelcake. Ik heb weinig geduld voor zulke bezigheden maar ik wilde het toch een keertje proberen.
Boter zacht maken au bain marie leek me sneller te gaan dan ze vorkgewijs te kneden. Een beetje nattig maar veel verschil zal dit niet uitmaken.
Afwegen kan dan wel belangrijk zijn, afmeten kan dus ook. Een doos zelfrijzende bloem en een zak suiker wegen elk een kilo. Om tweehonderd vijftig gram af te meten hoefde ik simpelweg maar drie streepjes te zetten op de zak door middel van een meetlatje. Toch simpel, gewoon gedeeld door vier? Veel eenvoudiger en een hoop minder afwas.
Het eiwit eigenhandig stijf kloppen was me iets te veel gevraagd. Daar heb je nu eenmaal elektrische kloppers voor. Toen ik plots besefte dat ik die klopper wegens niet-gebruik aan een vriendin schonk, zou de mixer van dienst diens functie moeten overnemen.
Het eiwit wilde maar niet stijf worden. Oh well, in onze magen komt uiteindelijk toch ook alles samen en volgens mij werd het geheel een volwaardig deeg.
Nu de appeltjes nog.
“Met een groot mes dat u eerst even in het water dompelt, de helft van het deeg op de bodem van de plaat strijken”. Welke plaat, wat plaat? Hoezo mes? Waarom een groot mes?
Chelone wist wel beter, die van de Boerenbond willen het enkel maar moeilijker maken om een huismoeder wat denkwerk te laten verrichten. Ze zou zich niet laten vangen. Gewoon de helft van het deeg in een vorm gieten, daar had je toch geen mes voor nodig, duh!
Vier appeltjes voor de tweede laag, ik had er nog maar drie. Mijn dochter had er eentje mee voor onderweg. Drie appeltjes zouden het ook wel doen. Zie je wel, ik had er nu al twee te veel.  Ze moeten hier niet overdrijven, hé!
Tweede laag deeg erover, huppakee, fluitje van een cent.
Het ruikt hier intussen heerlijk terwijl ik dit stukje schrijf. Nog vijftien minuutjes wachten tot de appelcake klaar zal zijn.
Normaal moet je ze dan nog met verwarmde abrikozenconfituur bestrijken. Ja zeg, die heb ik echt niet in huis. Het zal perzikenjam worden en wat ze met “eiwitglazuur” bedoelen zal mij een zorg wezen.
Mijn eerste zelfgemaakte appelcake. En ik heb begot nog twee ingrediënten over; een pakje vanillesuiker en een citroen. Die gooi ik er straks nog even over.
De ovenbel rinkelt! Ons moeder heeft een cake gebakken! 

Update: de cake smaakt volgens mijn dochter naar echte cake. Het glazuur werd minder goed bevonden. Waarschijnlijk moest die erover toen de cake nog warm was. Een mens kan tenslotte niet aan alles denken. Ikzelf ga er niet van proeven, ik ben namelijk op dieet.
 

februari 23, 2008

Elastieke benen

Je weet pas wat het is, als je het zelf eens hebt meegemaakt.
Tot hiertoe kende ik het verschil niet tussen een banale verkoudheid en een griep want die laatste heb ik nooit eerder mogen ervaren. Ik vond grieperige mensen altijd schattig; vooral mijn kinderen waren heel braaf als het virus hen te pakken kreeg. Voor elke lieve attentie en ieder zelfgebrouwen drankje werd ik altijd dubbel bedankt. Moeder-zijn was toen nog echt de moeite.
Mijn eerste eigen griep ooit loopt op dit moment allesbehalve over van schattigheid.
“Aan je wilde haardos te zien, heb je blijkbaar geen rustige nacht achter de rug, mam”, goeiemorgende mijn dochter me gisteren. Ik kon me amper oprichten vanuit mijn zetel, verdwaasd en gedesoriënteerd als ik me voelde. De nacht was hallucinant geweest. Ik heb liggen baden in het zweet. Maar toen had ik nog geen besef dat die rare ziekte mijn hele lichaam in haar grip zou krijgen.
Het begon met mijn neus. Die druppelde als een snel lekkende kraan, mijn oogleden werden zwaar en vielen neer, mijn stoel verlaten werd een uitzichtloze opgave. Ik zag flitsende sterretjes, mijn huis was een ijskast en dan weer plots een sauna.
Ik weet niet meer hoe ik mezelf naar boven heb gesleept. Ik voelde ruggengraat noch benen en moest mijn hoofd ondersteunen opdat het niet op de grond zou vallen.
Ik ben een vechter maar het duurde slechts een halve strijkmand voor ik mijn deel aan Fikkie moest geven. De rest van de dag kon ik niet anders dan de boel de boel te laten en te lopen snotteren, ahen en ouwen. Bij momenten vond ik mezelf  best schattig maar vooral heel erg hulpbehoevend.
Een vers uitgeperst appelsientje en een geplet banaantje, gepresenteerd op een dienblaadje, zouden erg welkom zijn geweest. Met dien verstande dat hier nog een gezond rondlopende ziel enig soelaas had kunnen bieden, want mijn dochter lag en ligt ook plat door hetzelfde fenomeen.
Op momenten als deze, als mijn buren ook nog eens aan het verbouwen zijn en daarenboven met meer dan één kettingzaag persé bomen moeten omhakken, heb ik vandaag wel voldoende griep gehad en kijk ik - met het weinige verstand waarover ik op dit moment beschik - uit naar morgen.
Ik moet eerst nog leren hoe je die verdomd nare dingen uit je lijf moet krijgen.

Hoe ziet het gezonde leven er al weer uit?


 


februari 20, 2008

Humo lezersbrief

Als we het allemaal over ons heen laten gaan, zal er in de wereld nooit iets veranderen.
En ik wil dat er iets verandert, al is het maar op kleine schaal.
Het heeft toch geen enkele zin dat mijn moeder weer moet verhuizen naar een andere instelling, met alle gevolgen van dien. Weer een nieuwe kamer, weer andere bewoners en omgeving. Weer nieuwe vertrouwenspersonen, andere gewoontes en wetten. Ik vraag me voortdurend af hoe ze zal reageren na twee of drie weken ziekenhuisverblijf. Welke blijvende lichamelijke en psychische letsels zal ze hieraan overhouden?
Moet ze ook haar rechterheup verliezen opdat ogen open zouden gaan?
Ik onderneem deze poging in mijn eentje en ben bereid er de gevolgen van te dragen. Verwijt niemand iets, ik heb het gedaan.

Mijn lezersbrief aan Humo: 
Onlangs lichtte Het Nieuwsblad alle zevenhonderd dertig rusthuizen in België door. Ze kwamen er behoorlijk goed vanaf, want slechts een klein percentage voldeed niet. Ik stond versteld van deze positieve berichtgeving. De criteria opdat een rusthuis als ‘goed’ wordt beschouwd, werden erg algemeen gehouden. De inspecteurs beoordeelden op basis van verpleging, verzorging, animatie, ergo/kine, keuken en onderhoud.
Mijn dementerende, rolstoelbehoeftige moeder resideert sinds het voorjaar van 2007 in het [censuur] in Mechelen. Ze wordt er inderdaad goed verpleegd en verzorgd, het eten is er smakelijk en er wordt flink gepoetst. Ik ga haar drie keer per week bezoeken, steeds na het avondeten van vier uur. Ik doe dit bewust omdat ik weet dat dit tijdstip een dood moment is voor de dementerende bejaarden. Dan moeten ze wachten voor ze elk op hun beurt naar hun slaapkamer worden gebracht. De televisie staat op voor degenen die nog enkel wat beelden kunnen bekijken. Anderen vallen in slaap in hun rolstoel, rammelen aan deuren om buiten te raken of jammeren maar krijgen geen gehoor. Niemand hoort hen, want ze zijn alleen in de kamer waar ze de meeste tijd van hun resterende leven zullen verblijven. Daar is geen toezicht tot een verpleegster de volgende bewoner komt halen. Die mensen hebben namelijk hun handen vol met het in bed leggen van de ruim twintig zorgbehoevenden.
Ik probeer die wachttijd wat draaglijker te maken door snoepjes aan te bieden en babbeltjes te slaan. Ze kennen me al, ze noemen me de snoepmadam. Ze stellen me vragen, ze klampen me aan, ze willen dat ik de deur voor hen openmaak, ze moeten dringend plassen.
Een tijdje geleden probeerde Piet zijn rolstoel te ontvluchten. Hij kwam ten val. Ik kon hem niet alleen helpen uit zijn benarde positie en ging op zoek naar een verpleegster. Na lang zoeken vond ik twee verpleegsters in de kelderkeuken. Ik vernam later dat Piet in het ziekenhuis lag wegens een heupbreuk. Ik heb hem nadien nooit meer teruggezien.
Op zaterdag 17 februari, tussen vijf en zeven, heeft mijn moeder eveneens een poging ondernomen om uit haar rolstoel te komen. Ik was er niet. Ook zij is gevallen. Ze werd opgeraapt en meteen in haar bed gestopt. Er werd niet onderzocht of ze zich bezeerd had. Er werd evenmin een arts bijgehaald. Voor oudere mensen kent zo’n val nochtans vaak nefaste gevolgen omwille van een poreus beendergestel.
De volgende morgen bemerkte een verpleegster dat de linkervoet van mijn moeder scheef stond. Ze werd naar het ziekenhuis gebracht voor een onderzoek. Daar bleek dat haar heup op drie plaatsen is gebroken en een dringende operatie nodig was. Ze moet die nacht verschrikkelijk hebben geleden. 
Na dit alles pas werden wij, haar kinderen, op de hoogte gebracht.
Volgens de bazin van het rusthuis is er een jammerlijk ongeluk gebeurd, het had overal kunnen gebeuren. Wat een gemakkelijk excuus! Vele verpleegsters zijn volgens haar ook ronduit dom. Ze zou de verantwoordelijke tot de orde roepen. 
Ik vraag me af in hoeverre mijn telefonische aanklacht de toestand zal veranderen. Ik maak me geen illusies; het rusthuis heeft een prangend tekort aan personeel. Zal de bazin iemand willen betalen om toezicht te houden op de dementerende mensen die alleen worden achtergelaten tussen vijf en zeven? Ik betwijfel het.
Mijn behoefte om haar hiertoe te dwingen groeit met de dag.
Zal ze de schuld echt in de schoenen blijven schuiven van de verpleegsters die nu al veel meer doen dan hetgeen er van hen gevraagd wordt?
Ik begrijp dat mensen angst hebben voor represailles door zulke toestanden aan te kaarten. Ik voel het als mijn plicht tegenover alle hulpbehoevende bejaarden.

 
Wat vinden jullie, mag ik dit doorsturen naar Humo?

februari 17, 2008

Aanklacht (1)

Onlangs lichtte Het Nieuwsblad alle zevenhonderd dertig rusthuizen in België door. Ze kwamen er behoorlijk goed vanaf, want slechts een klein percentage voldeed niet. Ik stond versteld van deze positieve berichtgeving. De criteria opdat een rusthuis als ‘goed’ wordt beschouwd, werden erg algemeen gehouden. De inspecteurs beoordeelden op basis van verpleging, verzorging, animatie, ergo/kine, keuken en onderhoud.

Mijn dementerende, rolstoelbehoeftige moeder resideert sinds het voorjaar van 2007 in het (censuur) in Mechelen. Ze wordt er inderdaad goed verpleegd en verzorgd, het eten is er smakelijk en er wordt flink gepoetst.

Ik ga haar drie keer per week bezoeken, steeds na het avondeten van vier uur. Ik doe dit bewust omdat ik weet dat dit tijdstip een dood moment is voor de dementerende bejaarden. Dan moeten ze wachten voor ze elk op hun beurt naar hun slaapkamer worden gebracht. De televisie staat op voor degenen die nog enkel wat beelden kunnen bekijken. Anderen vallen in slaap in hun rolstoel, rammelen aan deuren om buiten te raken of jammeren maar krijgen geen gehoor.

Niemand hoort hen, want ze zijn alleen in de kamer waar ze de meeste tijd van hun resterende leven zullen verblijven. Daar is geen toezicht tot een verpleegster de volgende bewoner komt halen. Die mensen hebben namelijk hun handen vol met het in bed leggen van de ruim twintig zorgbehoevenden.

Ik probeer die wachttijd wat draaglijker te maken door snoepjes aan te bieden en babbeltjes te slaan. Ze kennen me al, ze noemen me de snoepmadam. Ze stellen me vragen, ze klampen me aan, ze willen dat ik de deur van hen openmaak, ze moeten dringend plassen.

Een paar maand geleden probeerde Rik zijn rolstoel te ontvluchten. Hij kwam ten val. Ik kon hem niet alleen helpen uit zijn benarde positie en ging op zoek naar een verpleegster. Na lang zoeken vond ik twee verpleegster in de kelderkeuken. Ik vernam later dat Rik in het ziekenhuis lag wegens een heupbreuk. Ik heb hem nadien nooit meer teruggezien.

Op zaterdag 17 februari, tussen vijf en zeven, heeft mijn moeder eveneens een poging ondernomen om uit haar rolstoel te komen. Ik was er niet. Ook zij is gevallen. Ze werd opgeraapt en meteen in haar bed gestopt. Er werd niet onderzocht of ze zich bezeerd had. Er werd evenmin een arts bijgehaald. Voor oudere mensen kent zo’n val nochtans vaak nefaste gevolgen omwille van een poreus beendergestel.

De volgende morgen bemerkte een verpleegster dat de linkervoet van mijn moeder scheef stond. Ze werd naar het ziekenhuis gebracht voor een onderzoek. Daar bleek dat haar heup op drie plaatsen is gebroken en een dringende operatie nodig was. Ze moet die nacht verschrikkelijk hebben geleden. Na dit alles pas werden wij, haar kinderen, op de hoogte gebracht.

Volgens de bazin van het rusthuis is er een jammerlijk ongeluk gebeurd, het had overal kunnen gebeuren. Wat een gemakkelijk excuus! Vele verpleegsters zijn volgens haar ook ronduit dom. Ze zou de verantwoordelijke tot de orde roepen. 

Ik vraag me af in hoeverre mijn telefonische aanklacht de toestand zal veranderen. Ik maak me geen illusies; het rusthuis heeft een prangend tekort aan personeel. Zal de bazin iemand willen betalen om toezicht te houden op de dementerende mensen die alleen worden achtergelaten tussen vijf en zeven? Ik betwijfel het. Mijn behoefte om haar hiertoe te dwingen groeit met de dag.

Zal ze de schuld echt in de schoenen blijven schuiven van de verpleegsters die nu al veel meer doen dan hetgeen er van hen gevraagd wordt?

Ik begrijp dat mensen angst hebben voor represailles door zulke toestanden aan te kaarten. Ik voel het als mijn plicht tegenover vele hulpbehoevende bejaarden.

 

februari 16, 2008

Schaapachtige stier


De eigenschappen van het stier zijn komen in grote mate overeen met mijn eigen karakter.
Ik weet wat ik wil, ik ben een gezelschapsmens maar een periodieke afzondering heb ik bijtijds nodig en die verveelt me nooit. Ik ben heel moeilijk kwaad te krijgen, maar als het eenmaal zo ver is, is mijn vertrouwen moeilijk terug te winnen. Dan strijd ik, meedogenloos, tot mijn ziel geen pijn meer voelt.
De geur van het pas gemaaide gras zal er altijd moeten zijn en bloemen mogen enkel niet oranje of de ordinairste vorm van anjer zijn. De natuur verhoogt mijn energie. Winters krijgen en maken me klein. Ik hou van het oude, van het zekere al zijn uitdagingen een must in mijn leven. Ik haat geldwolven, ikzelf hou enkel van klein materieel bezit omdat het me een zekere vrijheid en genoegen schenkt. Geluk vind ik altijd, ik wil er nooit naar zoeken.
Op enkele sites vind ik zelfs de combinatie stier/warhoofd terug, een eigenschap die sinds mijn heugenis het best bij mij past.
Maar ik geloof niet in horoscopen, daarvoor ben ik te aards. 
Ik had vandaag al mijn zinnen op het bezoek aan een rommelmarkt in Diest gezet. Ik zou er wel iets vinden voor mezelf of voor iemand waarvan ik hou.
De E314 heeft twee richtingen, ik nam de verkeerde. De afritnummers brachten me opnieuw op het goede spoor al krijg ik het telkens lastig met elk omgekeerd terugdenken.
Na drie kwartier kwam ik ter plekke aan, bemerkte weinig auto’s op de parking van het sportcomplex, keek mijn briefje nog eens na en zag dat ik anderhalve maand te vroeg ter bestemming kwam.
Oh well, ik ben in Kaggevinne, Webbekom en Bekkevoort geweest en ik had geen melk meer voor de koffie van morgen.
Dat doe ik altijd, als ik me ietwat ongelukkig voel door mijn eigen schuld. Dan ga ik een paar van de goedkoopste lotjes kopen om mijn onhandigheid weg te krabben en om mijn geluk op de proef te stellen. Stel je voor dat ik al mijn geliefden, liefst in het midden van de nacht, zou kunnen zeggen dat ze uitgebreid kunnen gaan shoppen.
Ik kocht vier Astro-biljetten. De geglaceerde kaartjes waren niets meer waard toen ik ze met een bruin muntje afschraapte.
Tot ik, door het staren op die verlieslatende papiertjes, een bonuskans ontdekte. Ik mocht waarachtig nog een keertje krabben. Een keer negen en een keer drie Euro. Mijn verlies was weer binnen.
Had ik twee weken geleden niet ook zo eens een bui van momentaan verdriet gehad? Achter het fietshokje stonden vijf gevulde vuilzakken die de ophaalrondes al enkele keren hadden gemist.
Ik wilde eerst niet maar deed het uiteindelijk toch. Met plastic handschoenen zocht ik, tussen snot, koffiedik en wattenstaaf, naar potentiële rijkdom die verleden week nog verloren bleek.
En ik heb gevonden; een ongehavend bonus-benefiet van drie Euro en een lotje dat niet meer te krabben valt wegens badend in eigen nat. Ik vond ook nog eentje, in vier versnipperde delen dat nu te drogen ligt op de verwarmingsketel. Zijn onderste deel wil op het eerste zicht niet graag bepeuterd worden. Eens kijken of het maandag, langs de achterkant beplakt, puut puut zal schreeuwen onder de scanner van de astrologische winstmachine.
Misschien heb ik het ook helemaal mis met die misleidende bonusaffaire.
Maar een stier is nu eenmaal zo; hoop doet altijd leven!

Next Page »